DE KUNST VAN HET VERNIELEN, (VOLKSKRANT)
by: Maria Barnas, 2007


Gert Jan Kocken exposeert foto’s van sporen van de Beeldenstorm

Gert Jan Kocken ontdekte dat het aantal kunstwerken dat de Beeldenstorm heeft overleefd – en waarvan de beschadigingen nog zichtbaar zijn – uiterst gering is. Hij besloot de laatste overblijfselen zo optimaal mogelijk in beeld te brengen.Zijn foto’s van die verminkte kunstwerken laten zien dat je naar de vernielingen van beeldenstormers kunt kijken als naar de keuzes van een kunstenaar.


Op de Biënnale van Venetië is een schilderij te zien dat geen schilderij meer is. Het is een verbrand doek, Portret van een Procurator, uit de 16de eeuw, uit de School van Tintoretto. Op het verkoolde doek is nog de schim van een man te zien. In zijn arm de contouren van een langwerpig object. Gezicht, object en achtergrond zijn onherkenbaar beschadigd.
De man die zich ooit liet vereeuwigen is een schim geworden. Het merkwaardige is dat juist dit exemplaar het eerste 16de-eeuwse portret is dat mijn aandacht weet vast te houden. Het is alsof ik nog een laatste kans heb deze schim waar te nemen voordat hij zich definitief terugtrekt in de geschiedenis, en de rand van iets onvoorstelbaars als de eeuwigheid zichtbaar maakt. Ik kan mijn ogen er niet van af houden.
De plaatsing ervan binnen een groot overzicht van moderne kunst maakt het een provocerend werk. Het ontlokt vragen over de aard van kunst: hoe lang moet een kunstwerk meegaan? Moet alles wel gerestaureerd worden? En doet de intentie van de kunstenaar er eigenlijk wel toe? Voor een kunstenaar is het confronterend dat een beeld dat geen intentie heeft kunst te zijn, zo krachtig is. Er is bijna niets van dit schilderij over en toch provoceert het. Hoe kan het, dat iets wat er bijna niet is zoveel kan losmaken in mijn gedachten?
Als iemand zich raad weet met deze vragen is het beeldend kunstenaar Gert Jan Kocken (Ravenstein, 1971). Bij hem is het beeld nooit alleen het beeld zelf. Hij biedt beelden aan als aanzetten tot gedachten.
We staan in zijn atelier in Amsterdam, omringd door verminkte kunstwerken. Foto’s van verminkte kunstwerken moet ik zeggen, hoewel de manshoge foto’s van Kocken de indruk wekken van een confrontatie met de originele werken die de Beeldenstorm uit de 16de eeuw hebben overleefd.
Mijn aandacht wordt getrokken door een foto van een opengeslagen boek waar iemand een tekening in heeft gemaakt. Wanneer ik dichterbij kom, zie ik dat het krassen zijn die iemand heeft gezet door passages op de pagina. Leuvense theologen corrigeerden hier een exemplaar van de Omnia Opera, de verzamelde brieven van Erasmus uit 1520 en 1521, handelend over Luther. Het is interessant dat de passages niet onleesbaar gemaakt zijn. Je mag als lezer zien wat gecensureerd wordt. De regels zijn als met linten om een gepleegde misdaad afgezet: hier mag je niet komen. Juist deze regels wil ik lezen. Wat zich achter de linten afspeelt, heeft de grootste aantrekkingskracht.
Kocken ontdekte dat het aantal beelden dat de Beeldenstorm heeft overleefd – en waarvan de beschadigingen nog zichtbaar zijn – uiterst gering is. Er is amper iets over van wat Reformanten vernielden in de 16de eeuw, uit naam van het tweede gebod: ‘Gij zult u geen gesneden beeld maken, noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is.’ Niet alleen de beelden zijn verdwenen, maar ook vrijwel alle sporen van hun geschiedenis. Het is alsof de Beeldenstorm zelf onzichtbaar is gemaakt.
Bij zijn onderzoek naar de Beeldenstorm viel het Kocken op dat er in de geschiedenisboeken steeds dezelfde illustraties worden gebruikt. Wie ‘Beeldenstorm’ intikt op Google, vindt ze onmiddellijk. Je ziet mannen op een ladder, een bijl in de aanslag. Maar het gaat er gemoedelijk aan toe. Als je niet zou weten dat het hier om vernielingen ging, zou je kunnen denken dat er een kerk opgeknapt wordt. Een hondje ernaast, een vrouw met een mand op weg naar de markt, om het leven van alledag in te kleuren. Het is alsof de vertelling van hoe mensen iets deden belangrijker gevonden wordt dan de gevolgen, de werkelijkheid, ervan.
Kocken ging op zoek naar de laatste overblijfselen van de Beeldenstorm in Europa en kwam terecht in Näfels, Genève, Norfolk, Suffolk, Munster, Zwolle, Utrecht en Breda. Hij besloot wat hij er aantrof zo optimaal mogelijk in beeld te brengen. In donkere hoeken verstopte schilderijen lichtte hij uit en hij blies ze op tot fysieke formaten. De techniek van Kocken – die eerder fotoseries maakte van ‘rampplekken’, zoals de tunnel door de Mont Blanc of de Amsterdamse Bijlmer, en van locaties in de hoofdstad waar zich moorden en zelfmoorden hadden voltrokken – is er sowieso op gericht alles zo optimaal mogelijk zichtbaar te maken. Hij fotografeert met grootbeeld camera, 8 x 10 inch negatief. Het is alsof je op de foto’s, waarop geen krasje van een lens of stofje wordt geaccepteerd, meer ziet dan je in werkelijkheid met het oog zou kunnen waarnemen.
De precisie waarmee de imperfecties zijn vastgelegd en de plaatsing van het werk in een nieuwe omgeving, waarin ze niet meer met de architectuur van een kerk hoeven te wedijveren, maken dat je kunt kijken naar de vernielingen van iconoclasten als naar de keuzes van een kunstenaar. Zo kun je in een houten reliëf Maria met kind uit de kathedraal van Genève (waar later Calvijn preekte) volgen waar de hand van de iconoclast begon te beven toen hij zijn guts in het hoofd van Maria zette. En je ziet hoe hij het meest woedend was op het afbeelden van Jezus. Om het hoofd van Maria is de omtrek bewaard, waardoor nog enigszins een gezicht is voor te stellen. In het houten reliëf is er een kom ontstaan op de plek waar het kind moet hebben gefigureerd. Jezus is volledig geëlimineerd. Dit is gerichte woede. Dit is haat. De Beeldenstorm, die voor mij tot nog toe een abstracte vertelling was, komt hier dicht op de huid.
Daarnaast laat het werk van Kocken zien dat juist wat kapot is een grote schoonheid heeft. De vage plekken, de scheuren, de gaten resoneren met een esthetiek die bekend is vanuit de moderne kunst : zowel abstracte kunst waarbij weglating en opzettelijke vaagheid de verbeelding moeten stimuleren, bijvoorbeeld de bijna niet aanwezige schilderijen van Maaike Schoorel, als kunst die destructie als techniek binnen het werk gebruikt, zoals Fontana dat deed met zijn doeken waar hij het mes in zette.
‘Hoewel iconoclasten niet bezig waren met het scheppen van schoonheid, onderkenden en gebruikten ze de kracht van het beeld om hun boodschap over te brengen. Ze wisten precies wat ze kapot maakten, wat ze heel lieten, en waarom’, zegt Kocken.
‘De Reformatie is fundamenteel geweest voor de moderne kunst. Mensen gingen op grote schaal nadenken over betekenissen en invloed en gebruik van het beeld. Voor die tijd waren kunstenaars voornamelijk Bijbelse taferelen aan het uitbeelden en naschilderen. Je ziet in dit werk de woede die een beeld kan uitlokken, maar je ziet ook een onbedoelde esthetiek ontstaan die raakvlakken vertoont met moderne kunst.’
Een van de werken in het atelier van Kocken, die hij ook op zijn solotentoonstelling in Stedelijk Museum Bureau Amsterdam zal laten zien, is een foto van de Gregorsmesse. Dit schilderij verbeeldt de legende van paus Gregorius die tijdens het opdragen van de mis een verschijning krijgt van Christus. De omringenden zijn door een bedreven iconoclast aangevallen. Hun ogen zijn ruw weggesneden, als gaten in een pompoen die ogen in een Halloween-gezicht moeten voorstellen. Op de voorstelling zijn behalve Christus ook alle folterwerktuigen verdwenen waarmee hij is gemarteld. Het maakt de folteringen van dit schilderij des te treffender.
Er zijn meerdere realiteitslagen in dit werk. Er is de laag van foltering binnen de voorstelling, de laag van de illusie of verschijning van Christus, en dan is er de feitelijke laag van de beschadigingen. Heen en weer deinend tussen die lagen is het een duizelingwekkend kijken: waarom zijn de ogen van Christus niet uitgestoken? Hij komt tot drie keer toe voor op het doek: als bloedende verschijning, als gezicht op een Veronica-doek, en hij staat afgebeeld op de rug van een geestelijke. Durfden ze hem niet aan te vallen? Vreesden ze voor hun plek in de hemel? Of zouden ze gezien hebben dat het bloed al uit zijn doornenkroon loopt, dat er aan de verschijning van een verminkte geen eer te behalen viel? Een andere verklaring zou kunnen zijn dat het er niet om ging Christus aan te vallen, maar de manier waarop er naar hem gekeken werd. Zijn bewonderaars moesten worden verblind.
In zijn serie over omslagpunten in de geschiedenis fotografeerde Kocken behalve sporen van de Beeldenstorm ook aquarellen van de hand van Adolf Hitler, die in het Pentagon worden bewaakt alsof het massavernietigingswapens zijn. Kocken kreeg na anderhalf jaar aandringen toestemming de aquarellen te fotograferen in een kelder achter drie kluisdeuren. Het zijn lieflijke dorpstaferelen, met een uiterst geduldig penseel gemaakt. Hoe saai het resultaat ook is, het is van een vreemd genoegen na te kunnen gaan wat voor creatieve impulsen een massavernietiger heeft. Dan valt bijvoorbeeld op dat Hitler amper mensen schilderde. En als hij het deed, ze reduceerde tot poppetjes. Het is onmogelijk de vernietigingszucht van de Führer niet in verband te brengen met wat hij in zijn vrije tijd aquarelleerde. De afbeeldingen zijn minutieus gedetailleerd. Deze man liet niets aan het toeval over.
Of je dit ook allemaal zou zien als je niet zou weten dat het schilderijtjes van Hitler zijn, is onwaarschijnlijk. De kennis die je hebt bij het kijken, bepaalt voor een groot gedeelte wat je ziet. Deze grondgedachte spreekt uit al het werk van Kocken. Deze grondgedachte spreekt uit al het werk van Kocken. Zijn serie Rampplekken maakte hij op plekken lang nadat de desbetreffende rampen zich daar hadden voltrokken – op de locaties verraadt niets het verleden, en toch is het pijnlijk om ernaar te kijken. In de afwezigheid van sporen blijven herinneringen aan de rampen zich opnieuw afspelen.
Kockens werk maakt je ervan bewust dat het misschien niet mogelijk is waar te nemen zonder inkleuring van je eigen kennis en beleving. Je weet te veel, verwacht te veel, bedenkt te veel. Want in elk weggekrast hoofd zie je een gezicht. In de weggehakte ruimte van Maria’s armen ligt een kind. In de verbrande Procurator zie ik een wijze man die me de eeuwigheid in lokt.
Kocken laat in de tentoonstelling die hij inricht in het Stedelijk Museum Bureau Amsterdam maar een deel zien van zijn beelden die een omslagpunt in de geschiedenis representeren. Zo zullen de aquarellen van Hitler ontbreken.
‘Ik zag een beeld voor me van een ruimte waarin niemand je meer aankijkt. Je komt binnen en het contact is bij voorbaat verbroken. Er zijn geen ogen die je verleiden. Het beeld moet het zelf doen’, zegt Kocken over de Gregorsmesse. Je kunt als toeschouwer van dit werk niet anders dan zelf contact maken met wat de kunstenaar aanbiedt. Het laat zien dat ik me vergis wanneer ik denk dat de geschiedenis iets abstracts of levenloos is. Ik ben als de mannen van wie de ogen uitgestoken zijn, ten opzichte van het verleden, als ik mijn ogen niet gebruik.
Kocken gebruikt de moderne kunst om het verleden opnieuw te laten spreken. Hij confronteert je met je eigen denkwijze. Want uiteindelijk blijkt dat de figuren niet zonder gezicht zijn: ze hebben alle gezichten die je verbeelding tevoorschijn haalt. Kocken presenteert, meer dan beelden, manieren om ernaar te kijken.


Gert Jan Kocken: Defacing. Opening 15 september, daarna t/m 11 november in Stedelijk Museum Bureau Amsterdam, Rozenstraat 59.smba.nl
GERT JAN KOCKEN
- EXHIBITIONS - BIOGRAPHY - CONTACT
PRESS